|
|
Hieronder volgt de volledige scriptie, zoals deze november 1998 gepubliceerd
werd.
U kunt het geheel hier
ook als Word97 bestand downloaden.
(Klik dan hier
voor de voorkant)
TWEE CASESTUDIES OVER STOORNISSEN IN DE HERKENNING VAN EMOTIONELE GEZICHTSEXPRESSIES NA EEN HERSENBESCHADIGING

Inhoudsopgave
1. INLEIDING
2. ONDERZOEKSMETHODEN
2.1 Standaard neuropsychologische tests
2.1.1 Boston Benoemtest
2.1.2 Benton Face Recognition
Test
2.1.3 Figuur van Rey
2.2 Geheugentests
2.2.1 Warrington Gezichten
2.2.2 Warrington Woorden
2.2.3 Kimura recurring
figures - aangepast
2.3 Herkenning van gezichten
2.3.1 Bekende personen
forced choice
2.4 Herkenning van gezichtsexpressies
2.4.1 Ekman en Friesen
foto’s
2.4.2 Benoemen van
gezichtsexpressies
2.4.3 Matchen
2.4.4 Situaties verbaal
2.4.5 Situaties visueel
2.5 Imagery
2.5.1 Imagery van
gezichtsexpressies
2.5.2 Imagery van
gezichten van bekende personen
2.6 Waarneming van blikrichting
2.6.1 Blikrichting
meisje
2.6.2 Blikrichting
forced choice
2.6.3 Blikrichting
dopjes
2.7 Theory of mind
2.7.1 Eye test
3 CASE BESCHRIJVING BN
3.1 De testsituatie en controlegroep
3.2 Testverslag
3.2.1 Standaard neuropsychologische
tests
3.2.2 Geheugentests
3.2.3 Herkenning van
gezichten
3.2.4 Benoemen van
gezichtsexpressies
3.2.5 Situaties
3.2.6 Matchen
3.2.7 Imagery
3.2.8 Waarneming van
blikrichting
3.2.9 Eye test
3.3 Conclusie patiënt BN
4 HET MODEL VAN BOWERS EN HEILMAN
5 CASEBESCHRIJVING MB
5.1 Testverslag
5.1.1 Herkenning van
gezichten
5.1.2 Herkenning van
gezichtsexpressies
5.1.3 Situaties
5.1.4 Imagery
5.1.5 Blikrichting
5.2 Conclusie patiënt MB
6 DISCUSSIE
7 LITERATUUR
BIJLAGE
Eén van de meest benodigde sociale gereedschappen die de mens
sinds zijn evolutie heeft ontwikkeld, is de herkenning van het gezicht.
Hoewel dit op het eerste gezicht erg eenvoudig lijkt, zijn er toch een
aantal (dubbel dissociatieve) aspecten bij gezichtsherkenning betrokken.
Zo is er allereerst de herkenning van identiteit van het gezicht. Ten tweede
is de blikrichting belangrijk, om te kunnen beoordelen waar de ander naar
kijkt, een belangrijke hint in vele menselijke interacties. Ten slotte
is de emotionele expressie belangrijk, daar in het gezicht enorm veel af
te leiden valt van de emoties. Deze non-verbale aspecten van gezichtsherkenning
kleuren de verbale omgang met de medemens, geven er betekenis aan. Er wordt
bijna als vanzelf de onderliggende betekenis uit afgeleid.
Uit onderzoek is gebleken dat deze aspecten van gezichtsherkenning
los van elkaar kunnen optreden, hoewel niet geheel onafhankelijk (Bruce
and Young, 1986; Young et al., 1993). Er wordt van uitgegaan dat er afzonderlijke
cognitieve processen in de hersenen plaatsvinden, met bijbehorende neurologische
paden. Het is evident dat de rechterhemisfeer een grote rol speelt op het
terrein van gezichtsherkenning, uit onderzoeken blijkt tevens dat voor
de emoties de rechterhersenhelft een dominante rol speelt (o.a. Stone et
al., 1996; Bowers et al., 1991; Mandal et al., 1991, Etcoff, 1986).
Weinig onderzoek is echter nog gedaan naar de herkenning van emotionele
gezichtsexpressies en vooral naar stoornissen hierin na een hersenbeschadiging.
Recent zijn er onderzoekingen gedaan naar de rol van de amygdala in
de verschillende emoties. De huidige consensus is dat de amygdala een hoofdrol
speelt in het emotionele systeem in de hersenen, vooral na ontdekking dat
de dramatische veranderingen die karakteristiek zijn voor het Kluver-Bucy
syndroom, veroorzaakt worden door beschadiging van de amygdala (Aggleton,
1992). Het Kluver-Bucy syndroom, voornamelijk onderzocht bij apen,
kenmerkt zich doordat de proefdieren na verwijdering van de amygdala een
aantal grote veranderingen ondergaan. De voornaamste verandering is de
totale afwezigheid van angst.
Er zijn slechts enkele casestudies die de relatie tussen de amygdala
en de emotionele expressies, en met name angst, uitvoerig hebben onderzocht
bij mensen. Deze onderzoeken schetsen een tamelijk compleet beeld van de
gehele stoornis (Calder, Young et al., 1996; Young, Aggleton et al., 1995;
Adolphs et al., 1994, 1995; Young et al., 1996).
In het onderzoek van Adolphs et al. (1994, 1995) wordt SM besproken,
een patiënt die na bilaterale schade aan de amygdala, gestoorde herkenning
van de emotionele expressie angst vertoonde. Adolphs et al. schrijven deze
stoornis toe aan de beschadiging van de amygdala. Calder, Young, Rowland,
Hodges en Etcoff (1996) onderzochten twee cases, namelijk DR en SE, die
respectievelijk na een operatie en na een herpes simplex encefalitis bilaterale
hersenbeschadigingen aan de amygdala kregen. Bij deze patiënten werd
een ernstig gestoorde herkenning van angst waargenomen. De andere emotionele
gezichtsexpressies waren niet gestoord.
Uit deze onderzoeken komt duidelijk naar voren dat de amygdala een
cruciale rol wordt toebedeeld voor het herkennen van de emotie angst.
Aan het in deze scriptie beschreven onderzoek is meegewerkt door twee
patiënten, BN en MB. Het is een exploratief onderzoek, waarbij wordt
getracht zo gedetailleerd mogelijk te zijn.
Bij BN is er sprake van een diffuus patroon van uitval. Om die reden
zijn de tests die bij hem zijn uitgevoerd meer divers van aard. In het
geval van MB werd al snel zichtbaar dat er sprake was van een specifieke
uitval, en is het onderzoek specifiek daarop gericht.
Beide patiënten zullen achtereenvolgens beschreven worden, gevolgd
door de resultaten van een uitgebreid onderzoek, toegespitst op de herkenning
van emotionele gezichtsexpressies.
Een van de vragen in dit onderzoek is de vraag naar de lokalisatie
van de stoornissen in de herkenning van emotionele gezichtsexpressies.
Gekeken wordt of de gevonden resultaten overeenkomen met eerdere bevindingen
op dit gebied. Hierbij wordt aandacht geschonken aan de relatie tussen
angst en de amygdala.
Tevens zal er gekeken worden naar de rol die de rechter hemisfeer speelt
op het gebied van herkenning van emotionele gezichtsexpressies.
Een volgende belangrijke vraag is of de gevonden stoornissen en de
lokalisatie in een model voor de herkenning van gezichtsexpressies verklaard
kunnen worden.
Allereerst komt BN aan de orde, daarna zal het onderzoek van MB behandeld
worden.
Beide cases zullen afgesloten worden met een conclusie. Ten slotte
zal met een discussie worden geëindigd, waarin getracht zal worden
een antwoord op bovenstaande vragen te geven.
Voor een beter overzicht volgt eerst een opsomming en uitleg van de
gebruikte tests.
Dit kan men ter verduidelijking gebruiken bij het lezen van de beide
testverslagen.
2.1 Standaard neuropsychologische tests
2.1.1 Boston Benoemtest (Kaplan et al., 1983)
Deze test bestaat uit een zestigtal tekeningen, die de proefpersoon
dient te benoemen. De score is maximaal 60 punten, een voor elk goed item.
2.1.2 Benton Face Recognition Test (Benton et al., 1983)
In deze meerkeuzetest wordt gebruik gemaakt van onbekende gezichten.
In de eerste zes items moet een targetgezicht worden gevonden tussen vijf
foto’s van andere gezichten. Bij de volgende zestien items moet de proefpersoon
drie foto’s kiezen uit zes, waarop dezelfde persoon staat als op de targetfoto.
Deze drie foto’s verschillen van de targetfoto door invalshoek of belichting.
De maximumscore is 54, voor elke goed gescoorde foto een punt.
2.1.3 Figuur van Rey (Loring et al., 1990)
De figuur van Rey is een tekening van een complexe figuur, die de proefpersoon
dient na te tekenen. Er is sprake van een directe reproductie alsook van
een uitgestelde reproductie. Deze recall vindt plaats tien minuten na de
eerste reproductie en nu dient de tekening uit het hoofd te worden nagetekend.
De maximumscore is twee punten voor elk goed getekend detail.
2.2 Geheugentests
2.2.1 Warrington Gezichten (Warrington, 1984)
Deze test laat achtereenvolgens 50 zwart-wit foto’s van gezichten zien,
welke steeds drie seconden aan de proefpersoon worden getoond. Vervolgens
worden deze 50 foto’s nog eens getoond, maar dan gepaard met een nog niet
eerder getoonde foto. De proefpersoon dient hier aan te wijzen welke foto
reeds eerder is gezien. Score is maximaal 50, voor elke goed gescoorde
foto een punt.
2.2.2 Warrington Woorden (Warrington, 1984)
Deze test verloopt eender aan de hierboven beschreven Warrington voor
Gezichten, echter nu wordt er gebruik gemaakt van woorden, in plaats van
gezichten.
2.2.3 Kimura Recurring Figures Test – Aangepast (Forced Choice)
Een speciaal voor dit onderzoek ontwikkelde non-verbale geheugentest
voor figuren. Deze test bestaat uit 50 afbeeldingen, die één
voor één, in alle stilte, drie seconden aan de proefpersoon
getoond worden. De afbeeldingen zijn afkomstig van de Kimura Recurring
Figures Figuur Test (1963). Er wordt gevraagd de getoonde afbeeldingen
zo goed mogelijk te onthouden. Vervolgens worden dezelfde 50 afbeeldingen
nogmaals getoond, echter nu gepaard met een niet eerder getoonde, soortgelijke
afbeelding. De proefpersoon dient aan te wijzen welke van elk paar hij
eerder gezien heeft. De afbeeldingen bestaan uit lijnen, 25 strakke, hoekige
ofwel geometrische figuren en 25 krullende, lusvormige ofwel non-geometrische
figuren. Deze test dient als non-verbale tegenhanger voor de Warrington
gezichten, met als doel het faciale aspect uit te sluiten. Score is maximaal
50 punten, een voor elk goed gescoorde afbeelding.
2.3 Herkenning van gezichten
2.3.1 Bekende personen forced choice
Aan de proefpersoon worden achtereenvolgens 40 paren foto’s getoond.
Elk paar bevat een foto van het gezicht van een onbekend persoon en een
foto van het gezicht van een bekend geacht persoon. Deze foto’s zijn uit
willekeurige tijdschriften geknipt. De foto’s van bekende personen komen
uit een grotere groep van 200 op bekendheid beoordeelde foto’s van personen.
Voor de in dit onderzoek gebruikte set van veertig foto’s is gebruik gemaakt
van de als meest bekend beoordeelde personen uit de grotere groep foto’s.
De proefpersoon krijgt de taak om uit elk paar foto’s de bekende persoon
aan te wijzen. Indien de proefpersoon het niet weet, moest er toch een
keuze gemaakt worden. De maximum score is 40, voor elke goed gescoorde
foto één punt.
2.3.2 Bekende personen sorteren
De 80 foto’s uit voorgaande taak worden één voor één
in random volgorde aan de proefpersoon getoond. Deze dient dan te zeggen
of het een bekende of een onbekende persoon is. De maximumscore is 80,
voor elke goed gescoorde foto één punt.
2.4 Herkenning van gezichtsexpressies
2.4.1 Ekman en Friesen foto’s
Deze serie (Ekman en Friesen, 1976) bevat 60 foto’s van de gezichten
van tien verschillende mensen, zes vrouwen en vier mannen. Elk gezicht
toont zes verschillende emoties, namelijk blijdschap, verdriet, angst,
verrassing, afschuw en boosheid. Naast deze 60 foto’s bevat de originele
serie ook een neutrale versie van elk gezicht. Deze tien foto’s zijn bij
dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. De foto’s zijn gemaakt door gebruik
te maken van het Facial Action Coding System (FACS). Voor elke gezichtsuitdrukking
wordt een bepaalde combinatie van gezichtsspieren gebruikt. Deze spiergroepen
zijn door Ekman en Friesen vastgelegd in het FACS. De acteurs op de foto’s
zijn getraind om expressies te produceren, welke de spiergroepen gebruiken,
overeenkomend met het FACS. De gebruikte foto’s zijn befaamd op internationaal
terrein en worden sindsdien in veel onderzoeken op dit gebied gebruikt.
De foto’s zijn dusdanig geselecteerd uit de gehele set dat elk van de emotionele
expressies volgens de normen van Ekman en Friesen als duidelijkste zijn
herkend. De Ekman en Friesen foto’s werden verkregen door medewerking
van professor Andy Young en professor Edward de Haan. Deze foto’s zijn
gebruikt in de meeste onderzoeken naar de herkenning van gezichtsexpressies
(Calder, Young et al., 1996; Young, Aggleton et al., 1995; Adolphs et al.,
1994, 1995; Young et al., 1996).
2.4.2 Benoemen van gezichtsexpressies
24 foto’s benoemen.
Bij deze taak wordt gebruik gemaakt van de bovengenoemde serie foto’s
van Ekman en Friesen (1976). Aan de proefpersoon wordt een kleurenfoto
getoond van een van de zes
expressies, met daarboven in gerandomiseerde volgorde de namen van
de zes expressies (boos, blij, droevig, afschuw, angst en verrast). Er
fungeren 24 foto’s als test-items en zes als oefening. Elke emotie wordt
door vier foto’s gerepresenteerd. De proefpersoon wordt gevraagd welke
gezichtsexpressie het meest van toepassing is op de getoonde foto’s. Er
is geen tijdslimiet. Indien de proefpersoon het echt niet weet, moet er
toch een keuze gemaakt worden, door middel van een gok. Gescoord wordt
het aantal correcte antwoorden, met als maximum score 24/24.
24 foto’s benoemen met situaties.
Dit is een variant van de hiervoor beschreven taak. Er wordt gebruik
gemaakt van dezelfde set foto’s van Ekman en Friesen en de test gaat op
dezelfde wijze als de ’24 foto’s benoemen’ test. Echter nu worden de te
kiezen verbale labels van emoties vervangen door een in één
zin beschreven situatie, die een bijpassende emotionele reactie oproept.
Er wordt gebruik gemaakt van de volgende zes keuzemogelijkheden. Tussen
haakjes staat de bijpassende emotie. ‘Geslaagd voor een belangrijk examen’
(blij); ‘in juni Sinterklaas op straat zien lopen’ (verrast); ‘een dode
rat in de tuin vinden’ (afschuw); ‘door een overvaller bedreigd worden
met een pistool’ (angst); ‘beledigd worden door een loketbeambte’ (boos);
‘op de begrafenis van een goede vriend’ (droevig). De maximumscore is hier
24 uit 24 goed.
60 foto’s benoemen
Een uitgebreide versie van de benoemtaak wordt afgenomen met een grotere
set foto’s, namelijk de door Andy Young gemaakte versie met 60 Ekman en
Friesen foto’s, plus zes als oefening. Deze taak is speciaal ontwikkeld
voor een soortgelijke casestudie met amygdala-laesies, om per expressie
eventuele stoornissen te kunnen aantonen. Van elk van de zes expressies
(boos, blij, angstig, droevig, afschuw, verrast) zijn tien foto’s
aanwezig. De proefpersoon moet elke foto trachten te benoemen met keuze
uit de zes verbale labels. Er is geen tijdslimiet, als de proefpersoon
het echt niet weet, dient er gegokt te worden. Maximum score is hier 60
uit 60 goed.
60 foto’s sorteren
De hierboven beschreven foto’s worden hier op naam gesorteerd. Hierbij
liggen de zes verbale labels van emoties (boos, blij, angstig, droevig,
afschuw, verrast) voor de proefpersoon op tafel. Vervolgens moet de proefpersoon
één voor één de zestig Ekmanfoto’s van emotionele
gezichtsexpressies bij het juiste verbale label leggen. Elke neergelegde
foto wordt direct verwijderd uit het zicht van de proefpersoon, zodat er
geen sprake kan zijn van een visuele matching van de foto’s. De maximumscore
is hier wederom 60 uit 60 goed.
2.4.3 Matchen
18 foto’s matchen
Bij deze taak wordt wederom van de Ekman en Friesen serie gebruik gemaakt.
Een kleurenfoto met een van de zes expressies (boos, blij, droevig, afschuw,
angst en verrast) dient vergeleken te worden met vier andere foto’s met
gezichtsexpressies. Op de foto’s staan steeds verschillende individuen.
Eén van deze vier foto’s vertoont een faciale expressie die overeenkomt
met de expressie op de bovenste foto. De taak bestaat uit het aanwijzen
welke foto dit volgens de proefpersoon is. De foto’s zijn verticaal geplaatst
op een vel papier van A4-formaat met de te matchen foto bovenaan, van de
rest gescheiden door een streep en wat extra ruimte. Er zijn achttien trials,
plus vier die als oefening dienen. De maximum score (18/18) kan behaald
worden als alle achttien goed zijn gematcht.
18 verbale labels matchen
Dezelfde set foto’s wordt gebruikt met dezelfde instructies. In plaats
van een foto als stimulus, wordt er nu echter een verbaal label van een
emotionele expressie gebruikt (boos, blij, droevig, angstig, afschuw, verrast).
Hierbij moet de proefpersoon een van de vier foto’s als meest passend aanwijzen.
De maximum score (18/18) kan wederom behaald worden als alle achttien goed
zijn gematcht.
18 foto’s benoemen
Ook dit is een variant van de eerder besproken test ‘18 foto’s matchen’.
De proefpersoon krijgt nu dezelfde achttien Ekman foto’s te zien, waarbij
de keuzefoto’s zijn vervangen door het bijpassende verbale label. Om juist
dit verschil te benadrukken zijn er verder absoluut geen veranderingen
aangebracht ten opzichte van de originele test. Ook hier is de maximumscore
18 uit 18 goed.
2.4.4 Situaties verbaal
Deze taak bevat 24 vragen. Er zijn tevens vijf vragen als oefening.
De proefpersoon krijgt op een stuk papier de zes verschillende verbale
labels van emoties (boos, blij, droevig, afschuw, angst en verrast), onder
elkaar getypt, gedurende de taak te zien. Vervolgens wordt steeds een zin
voorgelezen, welke een emotionele situatie beschrijft, zoals bijvoorbeeld:
“op de begrafenis van een goede vriend (verdriet), iemand die in juni Sinterklaas
op straat ziet lopen (verrast), iemand die door een overvaller bedreigd
wordt met een pistool (angst). Deze situaties zijn zo ondubbelzinnig mogelijk
gekozen. De vraag aan de proefpersoon hierbij is dan welke van de gezichtsexpressies
in deze situatie het meest waarschijnlijk is. Elke gezichtsexpressie wordt
vier maal vertegenwoordigd. De score die maximaal behaald kan worden is
24, één punt voor elk goede antwoord.
2.4.5 Situaties visueel
Deze test hangt nauw samen met de ‘situaties verbaal’-test. Bij de
situaties visueel test worden namelijk dezelfde vragen nog eens gesteld,
met als verschil dat de keuze-antwoorden nu niet uit verbale, maar uit
visuele cues bestaat. Deze zijn zes foto’s van de verschillende gezichtsexpressies.
De foto’s komen uit de Ekman en Friesen (1976) reeks. De proefpersoon dient
de foto, waarvan hij denkt dat deze de meest waarschijnlijke gezichtsexpressie
weergeeft, aan te wijzen. De maximum score is hier 24, voor elk goed antwoord
een punt.
2.5 Imagery
2.5.1 Imagery van gezichtsexpressies
De proefpersoon wordt gevraagd zich telkens één van de
zes gezichtsexpressies (boos, blij, droevig, afschuw, angst en verrast)
voor te stellen en dan over elk zes vragen te beantwoorden. Gevraagd wordt
naar kenmerken van de expressies, zoals beschreven in de eerder genoemde
FACS van Ekman en Friesen. Bij de expressie angst wordt dan bijvoorbeeld
gevraagd:”Zijn de wenkbrauwen opgetrokken?” (ja); Zijn de mondhoeken omhoog
getrokken?” (nee). De vragen moeten wederom met ja of nee beantwoord
worden. Vervolgens wordt de hele taak herhaald met van iedere expressie
een foto van de Ekman en Friesen (1976) reeks. De proefpersoon moet dan
naar de foto kijken tijdens het beantwoorden van de vragen. De score die
hier maximaal behaald kan worden is 36, één punt voor elk
goed antwoord.
2.5.2 Imagery van gezichten van bekende personen.
Deze test dient als controle van de vorige test. Imagery van de gezichten
wordt getest door middel van steeds zes vragen naar bepaalde gezichtskenmerken
van zes bekende personen. Dit waren Pieter van Vollenhove, Dries van Agt,
prins Charles (van Engeland), Youp van ‘t Hek, Ruud Lubbers en Adriaan
van Dis. Er is vermeden om vragen te stellen die meer semantische kennis
eisen dan visuele. Om de vragen te kunnen beantwoorden moet er een mentaal
beeld gevormd worden van desbetreffend persoon. Door elke vraag met ja
of nee te beantwoorden, wordt het vermogen tot imagery van de proefpersoon
getest. Vragen zijn bijvoorbeeld bij het gezicht van Prins Charles van
Engeland: “Heeft hij uitstaande oren?” (ja) en “Draagt hij een snor?”
(nee). De maximumscore is hier 36 van 36 goed.
2.6 Waarneming van blikrichting
2.6.1 Blikrichting meisje
De blikrichting is een ander aspect van het beoordelen van een gezicht
in het dagelijks sociale leven. Om dit te kunnen testen is er een aantal
tests gemaakt, waarvan de eerste bestaat uit een set van 27 foto’s van
het hoofd van een meisje. Dit meisje kijkt op een aantal manieren ongeveer
in de richting van de camera. De vraag die hier gesteld wordt is: “kijkt
dit meisje u aan, of kijkt ze van u af?”. De foto’s zijn voor dit onderzoek
beschikbaar gesteld door dr. David Perrett.
De maximale score die hier behaald kan worden is 27, voor elke goed
gescoorde foto een punt.
2.6.2 Blikrichting forced choice
De foto’s van bovenstaand meisje zijn in paren gelegd, waarvan één
in de camera kijkt en één ernaast. De vraag hierbij luidt:
‘welke kijkt u aan?’. Maximale score is 13.
2.6.3 Blikrichting dopjes
Een andere test voor de blikrichting is gemaakt door dr. M. Milders
en dr. David Perrett. Op elk van de 81 aanwezige foto’s staat het gezicht
van David Perrett en een drietal gekleurde dopjes in de kleuren geel, rood
en blauw. De ogen zijn gericht op een van deze drie dopjes, die dusdanig
staan opgesteld dat de hoek van de ogen vijf, tien dan wel twintig graden
van het midden afwijken. Ook de stand van het hoofd is op de foto’s gedraaid
ten opzichte van de dopjes, op vijf, tien en twintig graden. Tenslotte
staan de dopjes nu eens ver, dan weer dichtbij elkaar. De foto’s komen
allen drie keer voor in de set en de verschillende mogelijke posities zijn
alle gelijk verdeeld over het aantal foto’s. De proefpersoon moet aangeven
naar welk dopje de persoon op de foto kijkt. Er is geen tijdslimiet, wel
is het de bedoeling dat er vlot beoordeeld wordt, zonder gebruik te maken
van eventuele hulpmiddelen, zoals het volgen van de blik met een vinger
of iets dergelijks. Maximale score is 81 uit 81 foto’s.
2.7 Theory of mind
2.7.1 Eye Test
Dr. Baron-Cohen heeft de Eye-test ontwikkeld, die voor dit onderzoek
in bruikleen is gegeven en vertaald is in een Nederlandse versie. In een
map bevinden zich 25 zwartwitfoto’s van ogen, die elk een mentale staat
afbeelden. Onder de foto staan telkens twee keuzemogelijkheden, die tegenovergesteld
aan elkaar zijn. Enkele voorbeelden zijn: ‘serieuze boodschap’ en ‘luchtige
boodschap’; ‘geïnteresseerd’ en ‘ongeïnteresseerd’. De proefpersoon
dient de uitspraak te kiezen die het best bij de foto past. Er is geen
tijdslimiet. Als de proefpersoon het echt niet weet, moet er gegokt worden.
De maximale score (25/25) wordt behaald als alle foto’s correct worden
gescoord.
BN is ten tijde van het onderzoek (1997) 47 jaar oud. Hij heeft een
ischaemisch CVA in de rechter hemisfeer gehad in november 1995. Ongeveer
zeven maanden na het CVA is een CT-scan gemaakt. Uit dit röntgenologisch
onderzoek in het AZG bleek het volgende. “Een groot hypodens gebied rechts
parietotemporaal, wat grotendeels scherp gemarkeerd is. Het gebied heeft
grotendeels dezelfde densiteit als die van liquor, ter plaatse is derhalve
sprake van weefselverlies. De rechter zijventrikel is ook wat wijder dan
de linker. Ook de sulci rechts parietaal zijn iets ruimer dan links. Normale
positie van de midline structuren. Normaal aspect van de linker hemisfeer”.
De hieruit getrokken conclusie luidt als volgt: “Beeld passend bij status
na infarct in het stroomgebied arteria cerebri media rechts. Thans vrij
scherpe demarkering van het infarctgebied. Fors weefselverlies parietotemporaal
rechts”.
In de jaren voor het CVA was hij werkzaam als computerdeskundige. Als
opleiding heeft BN de HTS en een interne scholing tot computerdeskundige
gedaan. BN is naar eigen zeggen linkshandig, maar schrijft rechtshandig,
als gevolg van dwang op zijn toenmalige lagere school. Door een operatie
is het zicht in zijn rechteroog slecht, ongeveer 10% van normaal, vergeleken
met zijn linkeroog dat wel goed is. In november 1995 werd hij in het AZG
opgenomen na het boven beschreven CVA.
BN is rechtszijdig verlamd, hierdoor zit hij in een rolstoel, hoewel
hij na de revalidatie met een stok ook goed kan lopen. Verbaal komt BN
wat monotoon over, maar reageert verder uitstekend en antwoordt goed doordacht
op vragen. Zijn gezicht is meesttijds zonder uitdrukking, soms is er sprake
van een lachje, BN maakt veel grapjes. Tijdens het onderzoek werkt hij
steeds enthousiast mee en is erg blij te kunnen meewerken aan wetenschappelijk
onderzoek.
Hij heeft een mild linkszijdig neglect, maar is goed in staat dit te
compenseren. BN zegt verder wat sneller emotioneel te reageren, vooral
in de maanden vlak na het CVA. Hij vertelde moeilijk emoties te herkennen,
hierbij gaf hij een voorbeeld van een moment dat zijn vrouw erg verdrietig
was en hij dit niet opmerkte. Dit vond hij erg aangrijpend.
Zes maanden na de aanval werd door het Beatrixoord een psychologisch
onderzoek uitgevoerd. Uit het psychologisch rapport komt het volgende:
“Op de GIT werd een totaal IQ van 110 gemeten, hetgeen iets lager is dan
het geschatte premorbide niveau. BN presteert aanzienlijk beter op de verbale,
dan op de performale onderdelen. Het geheugen voor onsamenhangend verbaal
materiaal (15WT; ?score 35) is zwak, in tegenstelling tot dat voor samenhangend
verbaal materiaal (verhaal; score 18/20). Het geheugen voor visueel materiaal
is (gemeten met de Benton Visual Retention Test; 8/10 goed) ongestoord.
Het onthouden en herkennen van gezichten echter geeft meer problemen. BN
scoort onverminderd laag op tests voor aandacht en concentratie, het werktempo
ligt ook vrij laag.”
3.1 De testsituatie en controlegroep
BN is gedurende een jaar, van ongeveer eind 1996 tot eind 1997 regelmatig
bezocht in het Beatrixoord te Haren (Gr.), waar hij op dat moment ter revalidatie
verbleef. Bij deze gelegenheden is steeds een aantal tests afgenomen, die
eerdere testresultaten uitdiepten en aanvulden waar mogelijk. Tijdens deze
testsituaties is steeds gebruik gemaakt van een door de verpleging beschikbaar
gestelde afgesloten, helder verlichte ruimte, waar ongestoord tests afgenomen
konden worden.
In dezelfde tijdsperiode is een controlegroep van normale proefpersonen
getest. Deze groep is ontstaan na selectie uit een bestaande database met
controleproefpersonen. Deze database was eerder samengesteld op de afdeling
Neuropsychologie van het Academisch Ziekenhuis Groningen. De selectiecriteria
waren leeftijd (tussen 45 en 49) en opleiding (exact dezelfde opleiding
als BN). De controlegroep bestaat als zodanig uit personen die zorgvuldig
met BN gematcht zijn op geslacht en leeftijd om een zo homogeen mogelijke
controlegroep te verkrijgen. Zo vormt deze controlegroep een kleine representatieve
steekproef uit de populatie waartoe BN behoort. De groep bestaat uit tien
mensen, die allen de basisvarianten hebben gedaan van de in dit onderzoek
gebruikte tests. Er was geen tijd om de controlegroep alle varianten van
de tests af te nemen, die BN in de loop der tijd heeft gedaan. Zo ontstaat
de situatie dat er voor de basistests zowel scores bestaan van de controlegroep
alsook van BN, terwijl voor de varianten slechts een score van BN bestaat.
Daar de verschillen tussen de basistests en de varianten voor normale proefpersonen
echter zeer klein zijn, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de controlegroep
op de varianten dezelfde gemiddelde prestaties had laten zien als op de
basistests. De kleine aangebrachte verschillen zijn echter voor BN wel
relevant, omdat ze een beroep doen op die gebieden waar BN moeite mee heeft.
De gemiddelde scores op de basistests van de controlegroep worden in
dit onderzoek zowel gebruikt als normering voor de scores van BN op de
basistests als ook voor de scores van BN op varianten van deze basistests.
Wat er geprobeerd wordt, is aan te tonen is dat een eventueel verschil
tussen de beide scores (controlegroep versus BN) significant is en niet
toevalsafhankelijk. Daartoe worden de scores van de patiënt vergeleken
met het gemiddelde van de controles en vervolgens gedeeld door de standaarddeviatie
van de controles. Bij deze z-scores kan de kans op een ‘normale’ prestatie
in een p-waarde worden aangegeven.
(M controles –score patiënt) / SDcontroles.
3.2 Testverslag
3.2.1 Standaard neuropsychologische tests
De meeste standaardtests waren al in het neuropsychologisch onderzoek
afgenomen bij BN. Ten bate van het hier besproken onderzoek zijn hier nog
enkele aan toegevoegd.
BN’s score op de Boston Benoemtest (Kaplan, Goodglass, & Weintraub,
1983) was goed, 58 van de 60 correct. De items die hij fout benoemde zijn
eenhoorn en juk. BN benoemde alles erg vlot. Dit geeft aan dat benoemen
voor BN niet problematisch is. BN heeft geen moeite met het herkennen van
woorden of figuren. Op de Benton Visual Retention Test scoorde BN vergeleken
met een normgroep goed. De visuele Rey-test vormde ook geen probleem voor
BN. De tekeningen waren goed, zij het wat klein, nagetekend.
3.2.2 Geheugentests
Op de Warrington voor Woorden, een verbale herkenningstest, scoorde
hij 48/50 goed. Op de Warrington voor Gezichten echter, een non-verbale
herkenningstest waar de woorden zijn vervangen door gezichten, scoorde
hij slechts 30 uit 50 goed. Deze opvallend lagere score is interessant,
daar het hier gezichten betreft. Spectaculair zijn deze gegevens echter
niet, daar het reeds bekend is (Milner, 1972) dat bij rechterhemisfeerlaesies
dergelijke verslechteringen normaal zijn. Samengevat kan gesteld worden
dat BN wat geheugen betreft geen moeite heeft op verbaal gebied. Ook visueel
behaalt BN goede scores, alleen wanneer het non-verbale stimuli oftewel
gezichten betreft scoort BN laag.
Om te onderzoeken of dit slechte geheugen alleen gezichten betreft,
of tevens andere non-verbale complexe figuren, is de aangepaste Kimura
ontwikkeld, een non-verbale, non-faciale herkenningstest. Op deze versie
van de Kimura scoort BN 36 uit 50 correct, wat gezien de scores van de
controlegroep, gemiddeld 37,7 (n=7, z=-0.42, p=.56) uit 50, niet significant
verschilt.
Hieruit is af te leiden dat BN specifiek moeite heeft op het gebied
van gezichten, terwijl de andere vormen van geheugen voor herkenning ongestoord
zijn.
3.2.3 Herkenning van gezichten
Het matchen van onbekende gezichten onder verschillende hoeken en belichtingen,
gemeten met de Benton Facial Recognition Test, was ‘defective’ vergeleken
met de bij de test beschreven normgroep (score 37 uit 54).
Bij bekende personen sorteren scoorde BN 68 van de 80 foto’s goed.
Bij veel foto’s van onbekende personen vertelde hij dat hij ze vaag bekend
vond en sorteerde ze dus foutief als bekend. Met het herkennen van bekende
mensen heeft BN echter geen moeite. Op de test bekende personen forced
choice scoorde hij bijna alle foto’s goed (38/40). Bij de foto’s van de
bekende personen wist hij zelfs bij 36 van de 40 foto’s correcte informatie
te geven, zoals bijvoorbeeld de naam, professie en belangrijke prestaties
van de bekende persoon te geven.
3.2.4 Benoemen van gezichtsexpressies
De scores van BN voor de diverse tests waarbij de Ekmanfoto’s worden
gebruikt, zijn opgenomen in een tabel als bijlage.
De test 24 foto’s benoemen is twee keer afgenomen bij BN. Hij scoorde
hier respectievelijk 13/24 en 17/24 goed op, dat is gemiddeld 15/24. Dit
is significant slechter dan de controles, aangezien de controlegroep hier
gemiddeld 20.30 op scoorde (z>1.96, p<0.05). Wanneer dit resultaat per
categorie uitgesplitst wordt, valt op dat BN de minste fouten maakt bij
‘blij’ en verreweg de meeste bij ‘angst’. In totaal zes van de acht angstfoto’s
benoemt hij verkeerd. BN vertelde dit erg moeilijk te vinden. “In het dagelijkse
leven ook wel [moeite] met uitdrukkingen, maar dan kun je de emoties vaak
afleiden van andere dingen, zoals stemgeluid, houding en situatie. Dan
weet je daardoor de emoties meestal”, aldus BN. In de bijlage staan de
scores uitgesplitst naar emotie. Omdat dit eigenlijk te weinig foto’s per
expressie zijn om te bepalen of het benoemen van BN gestoord is in een
bepaalde categorie, zijn de 60 foto’s tests uitgevoerd. Op deze test scoorde
BN 34 uit 60. De controles scoorden hier gemiddeld 50,1 op. Uitgesplitst
naar emotie is te zien dat de emoties verdriet (z>5, p<0.001) en angst
(z>3.10, p<0.001) significant gestoord zijn. Ook op de bijna identieke
test 60 foto’s sorteren, zes verbale labels, scoorde BN laag (37/60; z>1.96,
p<0.05). Uitgesplitst naar emoties valt op dat expressies ‘afschuw’
en ‘blij’ ongestoord worden benoemd, terwijl de overige expressies zeer
slecht worden gescoord. Vooral de score bij ‘verbaasd’, slechts twee uit
tien goed, is hier opmerkelijk. Het lijkt hier dat BN’s score vooral gestoord
is wat benoemen van gezichtsexpressies betreft, maar dat de fouten gelijk
verdeeld zijn over de verschillende expressies en er niet één
opvallend uitspringt, behalve blij, dat vrijwel altijd correct wordt benoemd.
Desgevraagd zei BN dat hij het moeilijk kon herkennen, “ik weet niet waar
ik op moet letten”.
3.2.5 Situaties
Om uit te sluiten dat BN’s capaciteit om de namen van emotionele expressies
te produceren of te begrijpen gestoord is, is de ‘situaties verbaal’ test
afgenomen. Op deze test scoorde BN goed, 22 uit 24 goed, dezelfde score
als de controlegroep. Hieruit kan afgeleid worden dat BN geen problemen
heeft met het begrip van de namen van emotionele expressies op zich. Hij
kan zich er een situatie bij voorstellen en ook in persoonlijke gesprekken
kan BN zonder moeite emotionele situaties beschrijven waaruit blijkt dat
er geen sprake is van een gestoorde productie of begrip van verbale labels
voor emotionele situaties.
Wanneer BN echter op verbaal verzoek zelf expressies diende te produceren,
lukte dit slechts bij vier expressies, te weten verdriet, boos, blij en
afschuw. Van angst en verrast vertelde hij dat hij zich daar niets bij
kon voorstellen, hij wist niet “wat voor kop te trekken”.
De ‘situaties visueel’ test, waarbij wel een verband gelegd dient te
worden tussen een verbale situatie en een gezicht, heeft een interessant
resultaat. Hier scoort BN significant lager dan controles, 12 uit 24 (controles:
22/24; z>4,5, p<0.001). ‘Blij’ wordt het best gescoord (4/4), ‘angst’
het slechtst (0/4). Hier komt duidelijk naar voren dat BN moeite heeft
met het koppelen van een afbeelding van een emotionele expressie aan een
verbaal label of omschrijving van zulk een emotie. Het blijkt niet uit
te maken of er een naam of een omschrijving van een emotionele situatie
moet worden gegeven. Zolang dit van visueel naar verbaal moet, presteert
BN slecht.
Dit wordt geïllustreerd door de resultaten op de test 24 foto’s
benoemen, maar dan met situaties in plaats van namen van expressies.. Hier
scoort BN slechts 12 uit 24. Een opvallende score, daar de enige verandering
het vervangen van verbale labels door bijbehorende foto’s van gezichtsexpressies
is.
Indien de koppeling die gemaakt moet worden geheel verbaal is, kost
dit BN geen moeite. Als er een koppeling plaatsvindt van visueel naar verbaal
echter, zijn de prestaties slechter. De volgende testjes laten zien wat
de resultaten zijn van enerzijds de koppeling verbaal-visueel en anderzijds
visueel-visueel. Het betreft de tests met 18 Ekmanfoto’s.
3.2.6 Matchen
Bij de test ‘18 foto’s matchen’, die twee keer is afgenomen, scoort
BN respectievelijk 15 en 16 van de 18 goed. Dit is een normale score, vergeleken
met de prestaties van de controles, gemiddeld 16,7/18. Hier kan uit opgemaakt
worden dat BN geen moeite heeft met het herkennen van de expressie op zich.
Op een variant van deze test, waarbij de foto’s als stimuli vervangen zijn
door woorden van dezelfde expressie, scoort BN 14/18 goed. Dit is niet
significant slechter dan de gemiddelde prestatie van de controlegroep op
de basistest ‘18 foto’s matchen’ (z=1.11, p=0.13). Een iets andere variant,
waarbij de keuzes nu vervangen zijn door de bijbehorende namen van expressies
en de stimulus uit een foto bestaat, eigenlijk een soort benoemtest, is
ook afgenomen. Hierop scoorde BN 12/18. Dit is een significant slechtere
score dan de gemiddelde prestatie van de controlegroep op de basistest
’18 foto’s matchen’ (z>1.96, p<0.05).
3.2.7 Imagery
Onderzoeken van mentale voorstelling (‘imagery’) tonen aan dat in sommige
gevallen mensen met hersenbeschadigingen selectieve stoornissen in imagery
hebben die parallel lopen aan hun problemen met visuele herkenning (Farah
et al., 1989; Mehta et al., 1992). Om uit te zoeken of dit ook voor BN
geldt, is er in navolging van Young et al. (1996) de imagery test afgenomen.
Antwoorden worden vergeleken tussen vragen waarbij mentale beelden van
bekende personen moeten worden gevormd en vragen waarbij emotionele gezichtsexpressies
moeten worden voorgesteld. Deze taken lopen zowel parallel aan taken waarmee
BN geen moeite heeft, namelijk de (on)bekende personentest als met taken
waar BN meer moeite mee heeft, zoals de tests voor het herkennen van faciale
expressies. BN’s scores zijn in onderstaande tabel (tabel 1) samengevat.
Op vragen over gezichtskenmerken van bekende personen scoorde BN even goed
als de controles, op de vragen over de faciale expressies echter is BN’s
score laag, vergeleken met die van de controlegroep (z>1.96, p<0.05).
|
Tabel 1: Imagery |
|
Controles (n=9) |
|
|
|
BN |
gemiddelde |
S.D. |
|
|
|
|
|
|
Identiteit imagery |
30/36 |
28.78 |
3.56 |
|
|
|
|
|
|
Expressie imagery |
24/36 * |
27.50 |
1.58 |
3.2.8 Waarneming van blikrichting
Een vaak over het hoofd geziene sociale cue is de blikrichting. Iedereen
kent wel de situatie dat er iemand plots naar iets achter je kijkt. Je
draait je ogenblikkelijk om, om te zien wat de ander ziet. Deze reactie
is vanuit evolutionair perspectief niet moeilijk te verklaren, immers wanneer
men aan anderen kan zien of er ergens gevaar dreigt, hoeft men niet zelf
alles in de gaten te houden. Ook kan men zien of de ander in je geïnteresseerd
is dan wel in iets of iemand anders. Als laatste het voorbeeld van een
ondersteuning van een verbale boodschap. Indien men iemand een onwaarheid
probeert te vertellen, is het moeilijk de ander recht in de ogen te kijken.
De ander, die dit bemerkt door detectie van de blikrichting, kan hier zijn
voordeel mee doen. De eerder genoemde test ‘blikrichting meisje’ en de
‘blikrichting dopjestest’ zijn beide bij BN afgenomen. In tabel 2 staan
hierop zijn resultaten opgesomd. BN haalt, hoewel een lagere score, geen
significant gestoorde resultaten (z<1.96).
|
Tabel 2: Blikrichting |
|
|
|
|
Test: |
BN |
Gemiddelde controles |
S.D. controles |
|
Blikrichting meisje |
22/27 |
24.2 |
1.30 |
|
Blikrichting dopjes |
|
|
|
20° |
25/27 |
26.29 |
1.11 |
10° |
12/27 |
19.86 |
4.88 |
Met het bepalen van blikrichting heeft BN dan ook geen moeite. Hetzelfde geldt voor het resultaat op de Benton Line Orientation Test, een non-faciale tegenhanger van de blikrichtingtest. Hier moet een schuine lijn gekozen uit meerdere lijnen, waarvan er één dezelfde hoek heeft als de te matchen lijn. BN heeft hier geen moeite mee, zijn score is dan ook geheel normaal.
3.2.9 Eye test
De mens kan uit de ogen niet alleen de blikrichting afleiden, maar
hieraan ook een mentale staat afleiden, de intentionele toestand van de
ander. Dit stamt waarschijnlijk nog uit vroeger tijden, waarop het van
pas kwam als waarschuwingssysteem, bijvoorbeeld “kijkt de ander me aan
of niet?” (blikrichting), “waarom kijkt hij mij aan, met vijandige of andere
intenties?” en “weet de ander dat ik heb gezien waar hij naar kijkt?”.
Dit afleiden van een mentale toestand van een ander individu wordt ook
wel ‘Theory of Mind’ genoemd. Voor verdere beschrijving hierover wordt
verwezen naar het voortreffelijke boek van Baron-Cohen: ‘Mindblindness’
(1995). Om dit te meten is de Eye test ontwikkeld. Deze test, van dr. Simon
Baron-Cohen gekregen, is uit het Engels vertaald. BN scoorde op deze test
16 uit 25 goed, hetgeen niet afwijkend is gezien de controles (18.4/25;
z=0.9, p=0.18). Daar deze test nog in ontwikkeling is, kan hier weinig
over gezegd worden. Duidelijk is evenwel dat BN hier niet afwijkend op
scoort. ‘Theory of Mind’ wordt ook wel gemeten met de picture story test,
waarbij BN enkele emotioneel getinte plaatjes op de juiste volgorde diende
te leggen en er een zinnig verhaaltje bij diende te vertellen. Dit is door
M. Hensen en B. de Gelder van de universiteit van Tilburg getest. BN had
totaal geen moeite met deze taak en presteerde volkomen normaal.
3.3 Conclusie patiënt BN
Uit de verschillende tests die bij BN zijn afgenomen, kan het volgende
afgeleid worden. Het meest opvallend is de slechte prestatie op de tests
die het benoemen van gezichtsexpressies vereisen. Hierop scoort BN vergeleken
met enerzijds de normgroep en anderzijds met zijn eigen scores op soortgelijke,
iets afwijkende tests erg laag. Zo behaalt BN op de matchtests, waar expressies
van emoties vergeleken dienen te worden, normale scores, waar hij, als
hij die expressies dient te benoemen, slecht gaat scoren. Er is geen sprake
van een perceptuele stoornis bij BN, dit blijkt onder andere uit de dopjestest.
Het benoemen op zich is voor BN het probleem niet, daar hij op de Boston
Benoemtest een uitstekende score behaalt (58/60). Ook met het benoemen
van dingen uit het dagelijkse leven heeft BN geen moeite.
Verbaal presteert BN volkomen normaal, hij heeft bijvoorbeeld geen
problemen met de Warrington voor Woorden, een verbale herkenningstest.
BN kan de verschillende emoties verbaal prima uitleggen en ook scoort hij
normaal op de verbale situatiestest, zodat er geen aanwijzingen zijn voor
een begripsstoornis.
Op de Warrington voor Gezichten, hetgeen een non-verbale herkenningstest
is, gaat BN's prestatie plots fors achteruit. Dit is interessant, omdat
het hier wederom een gezichtstest betreft. Het is echter niet spectaculair,
daar uit de literatuur reeds bekend is, dat deze test moeilijk is voor
mensen met een rechterhemisfeer beschadiging (Kolb & Wishaw, 1990;
Warrington & James, 1967). Op een voor dit onderzoek zelf gemaakte
non-verbale herkenningstest zonder gezichten, de aangepaste Kimura, heeft
BN geen significante stoornis voor het herkennen van stimuli. BN heeft
geen moeite met herkenning, behalve bij tests met gezichten.
Mentale voorstellingen produceren, zoals in de imagery tests wordt
onderzocht, levert bij BN geen problemen op bij de imagery van gezichtskenmerken
van bekende personen. Op vragen over de imagery van een faciale expressie,
presteerde BN echter minder goed. Dit geeft aan dat BN specifiek moeilijkheden
op het gebied van gezichten ondervindt, wanneer het faciale expressies
van emoties betreft. Hierop zal dan ook dieper ingegaan worden in het volgende
hoofdstuk. De fouten die BN maakt wat betreft het herkennen van gezichtsexpressies
zijn uitgesplitst naar emotionele expressie (Zie tabel 1; bijlage). BN
maakt de minste fouten bij de expressie ‘blij’. Er is geen expressie waar
BN significant meer moeite mee heeft, de fouten zijn verdeeld over de verschillende
categorieën.
BN's resultaten zijn het best te belichten aan de hand van een model. Hiervoor wordt het model van Bowers en Heilman (1984) gebruikt, dat een representatie is van de systemen die het onderscheiden, het herkennen en de mentale voorstelling van emotionele gezichtsexpressies mediëren. Zie figuur 1.
Figuur 1
Model van Bowers en Heilman, dit wordt in de tekst nader besproken.
Bowers en Heilman (1984) pleiten met dit model voor het bestaan van
een 'lexicon' van gezichtsuitdrukkingen. Dit lexicon zou zich in de rechterhemisfeer
bevinden en is vergelijkbaar met het verbale lexicon dat zich in de linkerhersenhelft
bevindt. Volgens hen bestaat dit lexicon uit prototypes van gezichtsexpressies.
Deze prototypes zijn representaties in het lange termijn geheugen en zijn
verbonden met enkele gebieden die de expressies betekenis geven (verbale
betekenis unit en emotionele betekenis unit). Dit is weergegeven in de
onderste helft van het model. In het bovenste deel wordt beschreven hoe
de visuele input geanalyseerd wordt, waarna een korte termijn representatie
ontstaat. Deze korte termijn representatie wordt vervolgens in de visuele
buffer verder geanalyseerd, totdat er een mentale voorstelling gevormd
is, die in het model met de prototypes van gezichtsexpressies (het lexicon)
vergeleken kan worden. Na vergelijking en beoordeling van de betekenis-units,
komt men in het model uiteindelijk tot een eindoordeel betreffende de visuele
input. Een eindoordeel met informatie over zowel de verbale, de visuele
alsook de gevoelsbetekenis van het getoonde gezicht.
Aan de hand van een verbroken of beschadigde connectie in dit model
kunnen nu makkelijk pathologieën worden onderscheiden.
Als bijvoorbeeld de connectie tussen het lexicon en de emotionele betekenis-unit
beschadigd zou zijn, dan zou de patiënt de emotionele betekenis van
een gezichtsexpressie niet kunnen begrijpen. Is het lexicon beschadigd,
dan zien we een agnosie voor emotionele gezichtsexpressies. In dit geval
zou de patiënt moeite hebben met het benoemen, matchen, onderscheiden
en sorteren van emotionele gezichtsexpressies, omdat de prototypes van
de expressies beschadigd zijn. Het lexicon is niet meer beschikbaar voor
de patiënt. Het spreekt voor zich dat vergelijking met de twee betekenis-units
in deze situatie ook onmogelijk is.
Is de connectie tussen het lexicon en de verbale betekenis-unit beschadigd,
dan spreekt men van een anomie voor emotionele gezichtsexpressies en kan
de patiënt de expressies wel onderling onderscheiden, maar heeft moeite
met het benoemen van de gezichtsexpressies of met het aanwijzen van genoemde
prototypen, zoals de opdracht: "Wijs nu het boze gezicht aan".
Dit laatste lijkt bij BN het geval te zijn. Een anomie voor emotionele
gezichtsexpressies. Met het aanspreken van de verbale betekenis-unit heeft
BN namelijk veel moeite. Dit blijkt uit diverse tests, zoals onder andere
imagery van emotionele gezichtsexpressies en het benoemen en sorteren van
emotionele gezichtsexpressies op verbaal label. Er is geen sprake van een
agnosie voor emotionele gezichtsexpressies, want als BN een agnosie zou
hebben, zou hij ook niet kunnen matchen, dat wil zeggen het bij elkaar
zoeken van twee verschillende gezichten met dezelfde emotionele expressie.
Uit de tests blijkt dat hij dit wel kan.
Bowers en Heilman maken met hun model geen onderscheid tussen de verschillende
prototypes van gezichtsexpressies. Er is bij BN geen reden om dit onderscheid
te maken, daar BN fouten maakt, verdeeld over alle verschillende gezichtsexpressies.
Later, bij de beschrijving van de patiënt MB zal er wel reden zijn
om te twijfelen aan het bestaan van een algemeen lexicon dat alle verschillende
expressies bevat.
MB is ten tijde van dit onderzoek (1997) 43 jaar oud. In oktober 1992
heeft zij een herpes simplex encefalitis gehad. Sindsdien heeft zij last
van epileptische aanvallen, hoewel deze steeds minder frequent optreden.
Bij deze aanvallen had mevrouw visuele visioenen, zij zag onder meer aura’s
van gezichten van onbekenden. Er zijn twee MR-scans gemaakt, in november
1992 en in juli 1993, waarvan enkele gegevens beschikbaar zijn. De MR-scans
zijn gemaakt in het Scheperziekenhuis te Emmen. Hieruit het volgende. November
1992: “…Vreemd beeld, een verhoogde activiteit in de uncus van de lobus
temporalis bdz. En verder langs de hippocampus, naar achteren lopend”.
Juli 1993: “…Geen afwijkingen van betekenis werden gevonden. Slechts een
minimale beschadiging aan de temporaalhoorn. Een duidelijke verbetering
in verband met vorige onderzoeken”.
De behandelend neuroloog van het AZG concludeerde aan de hand van een
eerder gemaakte CT-scan dat er sprake was van een minimale beschadiging
aan de amygdala. Op de meest recente CT-scan uit 1997 zijn geen beschadigingen
meer zichtbaar.
Tevens is er bij MB een psychologisch onderzoek afgenomen, in mei 1992
in revalidatiecentrum ‘het Roessingh’, waaruit enkele gegevens zullen worden
gebruikt. Na de herpes simplex encefalitis is er sprake van ernstige antero-
en retrograde amnesie. Zowel bijna alle herinneringen vanaf zeventien jaar
voor haar ziekte, alsook de meeste herinneringen erna zijn verdwenen. Met
het opslaan van nieuwe informatie heeft MB ook extreem veel moeite. Ze
vermeldt zich af en toe losse flarden te herinneren en haar toestand noemt
ze die van iemand die droomt, vrijwel geen normaal chronologisch verloop.
Ook is er sprake van oriëntatiestoornissen bij MB. Zij verdwaalt herhaaldelijk
en kan bijvoorbeeld geen goede beschrijvingen geven van het huis waarin
zij ongeveer acht jaar woont. Wel vertelt ze nog steeds, in momenten van
‘vergeetachtigheid’, per ongeluk terug te gaan naar het huis waarin ze
zeventien jaar geleden woonde. Hoewel MB tijdens haar revalidatieperiode
op het Roessingh veel heeft aangeleerd, waaronder diverse geheugen- en
andere strategieën zoals bijvoorbeeld het hanteren van een agenda
of het wandelen in een vreemde omgeving (steeds een stapje achterblijven
bij de persoon die de weg weet), heeft zij nog steeds heel veel moeite
met de gevolgen van haar ziekte. Ze vertelt dat ze mensen niet meer (her)kent,
gesprekken niet altijd kan volgen en snel moe is. MB moet 70 procent van
de dag rusten, anders wordt zij te moe en kan ze niet meer functioneren.
MB vindt het interessant en nuttig om met het onderzoek mee te doen. De
testjes vindt zij veelal leuk om te doen, soms vindt zij ze (te) moeilijk,
waardoor zij snel vermoeid raakt. Uit het psychologisch onderzoek, verricht
op het Roessingh, komt het volgende naar voren. Op de GIT scoort ze een
IQ van 121, dit is ruim bovengemiddeld. Op een verbale geheugentaak (15WT)
scoort MB op een zwak niveau (deciel 1). “Op de Warrington test, waar 50
gezichten uit 50 gezichtenparen herkend moeten worden presteert MB met
een score van 35 eveneens op een zwak niveau. De Benton test, waarbij eenvoudige
figuren uit het geheugen nagetekend moeten worden, krijgt wat betreft het
aantal goede antwoorden het predikaat twijfelachtig, maar wat betreft de
fouten is er geen indicatie voor geheugenstoornissen. Het uit het geheugen
reproduceren van de complexe figuur van Rey is van een iets benedengemiddeld,
doch niet afwijkend niveau. Aandacht, reactievermogen en motoriek zijn
allen van een gemiddeld tot goed niveau. Ook de ruimtelijke constructie-
en oriëntatietests zijn allen van een gemiddeld tot zeer goed niveau”,
aldus het psychologisch testrapport. MB is gedurende het in deze scriptie
beschreven onderzoek enkele malen bij haar thuis bezocht, waar steeds enkele
tests werden afgenomen, in een voldoende verlichte, stille ruimte.
5.1 Testverslag
5.1.1 Herkenning van gezichten
Op de Benton Face Recognition Test behaalde MB een score van 46, hetgeen
gemiddeld is, ten opzichte van de bij die test behorende normen.
Op de bekende personen forced choice taak scoorde MB 40 uit 40 goed.
Dit is een zeer hoge score, zeker indien rekening wordt gehouden met MB’s
amnesie. Ook wist ze bij elke foto de juiste naam te noemen. De bekende
personen op de foto’s zijn bekenden uit de media gedurende de laatste zestig
jaar (van Adolf Hitler tot Henny Huisman). MB verklaarde haar goede resultaat
met het feit dat ze erg veel televisie kijkt, zo’n twaalf uur per etmaal.
Andere bezigheden vermoeien haar teveel. Herkennen van gezichten is geen
probleem voor deze vrouw.
5.1.2 Herkenning van gezichtsexpressies
Op de 18 foto’s test, waarbij een foto met een emotionele expressie
gematcht diende te worden, met de keuze uit vier andere foto’s, scoorde
MB 16 uit 18 goed.
De 24 foto’s test, waarbij steeds de foto benoemd diende te worden,
met keuze uit de zes namen van expressies, werd met 19/24 niet slecht gescoord.
Uitgesplitst naar expressie echter valt op dat MB alleen fouten maakt bij
één bepaalde expressie, namelijk angst. Van de vier angstfoto’s
in deze test heeft MB er geen enkele goed gescoord. Indien de 24 foto’s
benoemd worden met als keuze de situatie-omschrijvingen in plaats van de
namen als label behaalt MB 21 van de 24. Uitgesplitst naar expressie zijn
de expressies waar de fouten vallen ‘verbaasd‘ (2 van 4 fout) en ‘angst’
(1 fout uit 4). De andere worden foutloos gescoord.
Omdat het aantal foto’s niet genoeg is om eventuele consistenties aangaande
eventuele stoornissen per expressie te kunnen testen, is er gebruik gemaakt
van de eerder beschreven 60 foto’s van Ekman en Friesen (1976). Bij het
benoemen van de 60 foto’s met de namen van de expressies als keuzemogelijkheid,
scoorde MB 52 uit 60 goed. De meeste fouten maakte ze wederom bij angst
(6/10 fout), gevolgd door verbaasd (2/10 fout). De rest werd foutloos gescoord.
In de controlegroep van Andy Young uit 1996 (n=147) werd de emotionele
gezichtsexpressie ‘angst’ in 89,5% van de gevallen juist benoemd; de gezichtsuitdrukking
‘verbaasd’ werd in 90,7% van de gevallen juist benoemd). Opvallend bij
MB was dat tijdens het testen alles vlot verliep, totdat er een angstfoto
moet worden gescoord. Hier moest MB telkens erg lang over nadenken en zelfs
dan gaf ze vaak een fout antwoord.
Opmerkelijk was dat MB een enigszins afwijkende strategie gebruikte
om dit op te lossen. Ze heeft namelijk een aantal strategieën aangeleerd
in het revalidatiecentrum, waaronder afstrepen. Ze bekijkt bij alle labels
welke het niet is. Degene die overblijft wijst ze vervolgens aan.
MB heeft de 60 foto’s ook gesorteerd op verbaal label, de zes namen
van expressies lagen op tafel en MB diende elke foto één
voor één bij het juiste label te leggen, waarna ze uit zicht
werden gelegd en de volgende moest worden neergelegd. Hierbij maakte MB
slechts drie van de 60 items fout. Deze fouten betreffen allen de emotionele
expressie angst. Opvallend was weer het lange twijfelen bij elke angstfoto,
terwijl de rest erg vlot ging.
Tevens werden dezelfde 60 foto’s gebruikt voor de volgende test. Van
elk individu bestaan steeds 6 verschillende expressies, dus 10 individuen
met elk 6 verschillende expressies. Nu werden telkens tegelijkertijd de
zes foto’s van hetzelfde individu getoond, met daarbij de vraag ‘welke
is boos?’, ‘welke is blij?’ etc. De patiënt diende hier aan te wijzen
welke expressie aan de juiste eis voldeed. De vragen werden in willekeurige
volgorde gesteld en ook de foto’s werden steeds door elkaar gelegd. Dit
deed MB opmerken dat het gemeen was, “want nu moet ik steeds opnieuw nadenken
en kan ik niet wegstrepen”, een favoriete strategie. Nadat alle zes aan
bod waren geweest, werden de foto’s opzij gelegd en kreeg MB een volgende
set foto’s van een ander individu te beoordelen.
De resultaten:
Vier fouten van de zestig, welke allen met angst te maken hebben. Bij
‘afschuw’ wees ze ‘angst’ aan (foto AT), bij ‘verdriet’ wees ze ‘angst’
aan (foto AL), bij ‘angst’ wees ze ‘boos’ aan (foto E) en bij ‘boos’ wees
ze ‘angst’ aan (foto AY). De overige waren goed, zij het dat er vreselijk
lang over elke keuze moest worden nagedacht en het een zeer uitputtende
taak bleek. Duidelijk werd dat MB een speciale strategie volgt, namelijk
het bij elke foto de niet juiste expressies wegstrepen tot er één
overblijft. Nu moest ze dit bij elke aanbieding opnieuw doen en werkte
de strategie niet zo goed. De taak vermoeide MB dan ook zeer en zij was
niet meer in staat verder te gaan met testen.
Een controletaak voor de 60 foto’s op naam sorteren, is de 60 foto’s
sorteren op expressiefoto. Hier worden de zes oefenfoto’s (waarop één
individu en zes verschillende expressies: angst, verdriet, afschuw, blij,
verbaasd, boos) overzichtelijk voor MB neergelegd. Vervolgens worden één
voor één achtereenvolgend de 60 foto’s getoond, die ze bij
de expressie dient te leggen waarvan zij vindt dat die het meeste past
bij de expressie op de getoonde foto. Deze wordt dan, niet zichtbaar voor
MB weggelegd en de volgende foto wordt getoond. Dit is te vergelijken met
de 18 foto’s matchtest. MB scoort 58 van de 60 goed, een angstfoto wordt
bij blij gelegd en een verdrietfoto bij angst.
Het is opvallend dat MB bij elke test bijna alleen de angstfoto’s verkeerd
scoort. Tevens valt de extreem lange aarzeling op bij MB, als ze een angstfoto
moet benoemen vergeleken met de andere foto’s van gezichtsexpressies. Desgevraagd
verklaarde MB hier niets van gemerkt te hebben, dit is echter niet vreemd,
gezien haar ernstige vorm van amnesie, zij kan (bijna) geen nieuwe informatie
in haar lange termijn geheugen opnemen. MB lijkt een zeer specifieke vorm
te hebben van gestoorde herkenning van gezichtsexpressies.
Als laatste is bij MB nog een test afgenomen met de reeds besproken
24 foto’s en zes bij deze test behorende oefenfoto’s. Zij kreeg één
voor één de 30 foto’s te zien, met de opdracht de expressie
te benoemen die het gezicht vertoonde. Hierbij kreeg zij geen cues aangereikt,
het diende puur ‘uit het hoofd’ te gebeuren. Deze test ging erg vlot, ze
noemde niet alleen de expressies goed en snel, ze gebruikte ook nog eens
de juiste benamingen voor de expressies. Er was slechts één
uitzondering. Telkens wanneer MB een foto diende te beoordelen waarop de
expressie angst vertoond werd, volgde er een lange aarzeling, waarna ze
meestal foutief antwoordde (4 uit 5 fout). Toen na de test deze angstfoto’s
nog eens getoond werden met daarbij de vraag een omschrijving te geven,
gaf ze ook hier onjuiste beschrijvingen. In tabel 3 een overzicht van MB’s
keuzes en antwoorden.
|
Foto van angst-expressie nummer: |
Spontaan antwoord MB |
Reactie MB bij navraag over foto |
|
F (voorbeeld) |
(duurt zeer lang): boos |
In de buurt, jongens voetballen, in zijn tuin. "En nu zal ik ze!" Dit is geen man die gauw bang is. |
|
4 |
(duurt zeer lang): "Even een woord voor vinden, doe maar afschuw". |
Paniek, deze meneer probeert bij andere mensen in zijn omgeving een gevoel los te kweken dat ‘ie zielig is. Zoiets van: "Dat overkomt mij weer". |
|
11 |
(duurt zeer lang): boos |
Heel boos, op zichzelf, in de winkel. Hij staat bij de kassa en merkt dan dat er weer geld uit zijn portemonnee is gehaald zonder dat hij het wist. |
|
13 |
(snel!): angst |
- |
|
15 |
(duurt zeer lang): verbaasd |
Ergens van geschrokken, verdrietig, niet boos.Je zou een arm om zijn schouder willen leggen van toe maar. Ziet iets met kindje gebeuren. Kan zelf niet reageren. Samengevat ‘paniekerig’. |
5.1.3 Situaties
Op de ‘situaties’ tests scoort MB zowel op de verbale variant als op
de visuele variant 22 uit 24 goed, precies zoals de controlegroep. Beide
malen is er een fout bij afschuw en bij verbaasd. Weer is opvallend dat
MB bij de visuele versie een aangeleerde strategie vertoont waarin ze de
onjuiste antwoorden eerst ‘wegstreept’.
5.1.4 Imagery
Op de imagery, het inbeelden van een expressie en er vervolgens vragen
over beantwoorden volgens de FACS-gegevens van Ekman en Friesen (1976),
scoorde MB 31 uit 36 goed. Dit is geen opvallende score. De fouten zijn
verdeeld over de diverse categorieën.
5.1.5. Blikrichting
In het onderzoek bij MB is de blikrichting niet onderzocht. Daar MB
specifiek bij de emotionele expressie ‘angst’ zulke opvallende stoornissen
vertoonde, is hierop in dit onderzoek de nadruk gelegd. Om deze reden,
alsook de reden dat MB snel vermoeid raakte van het testen, is afgezien
van het afnemen van tests op het gebied van blikrichting.
5.2 Conclusie MB
Er is een sterke overeenkomst tussen de testresultaten van deze vrouw
en die van de eerder besproken BN. Het meest opvallende verschil is dat
MB alleen bij de gezichtsexpressie angst een gestoord beeld vertoont, specifieker
dan bij BN, die bij het benoemen op alle expressies lager scoort dan de
controlegroep. MB vertoont opmerkelijke testresultaten. MB scoort op alle
bij haar afgenomen tests normaal tot zeer goed, behalve wanneer de emotionele
expressie 'angst' wordt getest, dan wordt ze traag, onzeker en geeft ze
onjuiste antwoorden. De vragen die MB goed beantwoordt en de emotionele
gezichtsexpressie angst betreffen, lijken op een bijzondere manier tot
stand te komen, anders dan de andere expressies. MB gebruikt hier de in
het revalidatiecentrum aangeleerde strategie van 'wegstrepen'. Hierdoor
blijft er na herkenning van alle expressies welke het niet zijn een over,
die ze vervolgens als angst aanwijst.
Het lijkt erop dat we bij MB te maken hebben met een zeer categoriespecifiek
defect. Het begrip van angst is ongestoord, echter wanneer MB wordt geconfronteerd
met een afbeelding van de emotionele gezichtsexpressie angst, is de terugval
enorm. Het benoemen op zich is ook bij MB ongestoord, dit blijkt alleen
al uit het feit dat ze de overige expressies volkomen juist weet te benoemen.
Uit de tests blijkt ook dat MB met herkenning van gezichten, evenals op
de Benton Recognition test geen afwijking laat zien. Het begrip angst is
in verschillende gesprekken met MB ter sprake gekomen en hier zijn haar
antwoorden heel normaal te noemen, zo wist zij situaties te beschrijven
waarin ze erg bang was geweest of zou zijn. Ook uit de test "Situaties
verbaal' blijkt dat MB geen moeite heeft met het begrip angst. Ze scoorde
22/24, evenals de controlegroep.
Terugkijkend naar het model van Bowers en Heilman (1984) kan gezegd
worden dat er bij MB sprake is van een anomie voor de emotionele gezichtsexpressie
angst. Het lijkt erop dat in het model in het lexicon het prototype angst
onderscheiden dient te worden van de rest van het lexicon. In de discussie
zal op deze vraag nader ingegaan worden.
Hoewel er, na bestudering van de testresultaten, sprake van een anomie
lijkt te zijn, is er mogelijk toch sprake van een meer omvattende stoornis,
agnosie van de emotionele gezichtsexpressie angst, die door MB's strategie
gecamoufleerd wordt. Dit zou betekenen dat MB tevens moeite zou hebben
met het matchen van de emotionele gezichtsexpressie angst. De prestaties
op de matchtests zijn echter niet significant gestoord. Dit zou dan te
verklaren zijn vanuit MB's favoriete wegstreepmethode, waarbij de herkenbare
expressies weggestreept worden om op deze wijze de foto met de emotionele
gezichtsexpressie angst over te houden. Vanuit deze redenatie is ook te
verklaren waarom, zodra er een foto te scoren was die de emotionele gezichtsexpressie
angst betrof, het tempo enorm omlaag ging. Als men deze verklaring volgt
zou het prototype van angst geheel gestoord zijn, niet alleen de verbinding
met de verbale betekenis-unit, zoals bij anomie het geval zou zijn.
Zoals genoemd in de inleiding is er bij mensen weinig onderzoek gedaan
naar de herkenning van emotionele gezichtsexpressies en naar stoornissen
hiervan na een hersenbeschadiging. Het is gebleken dat de rechterhemisfeer
een grote rol speelt, zowel op het terrein van gezichtsherkenning alsook
voor emoties. In deze scriptie zijn twee patiënten beschreven die
beide uitvoerig getest zijn op het gebied van emotionele gezichtsexpressies.
Getracht is aan de hand van het model van Bowers en Heilman (1984) de stoornissen
van zowel BN als MB te verklaren. Gevonden werd dat beide moeite hadden
op het gebied van herkenning van emotionele gezichtsexpressies, met het
verschil dat bij MB de stoornis specifiek van toepassing is op de emotionele
gezichtsexpressie angst.
Angst heeft in de literatuur een aparte status. Dit komt naar voren
in het reeds eerder besproken Kluver-Bucy syndroom, waarbij na verwijdering
van de amygdala bij aapjes, de aapjes geheel ongevoelig lijken te worden
voor angst (Aggleton, 1992). In eerste instantie werd ook bij MB een amygdala-laesie
vermoed, echter na een jaar is op de diverse hersenscans niets meer terug
te vinden van enig hersenletsel, ofschoon MB's testresultaten anders doen
vermoeden. Helaas is er bij MB geen PET-onderzoek uitgevoerd, waarop misschien
wel eventuele restlaesies zichtbaar zouden zijn geworden. Wellicht is het
een idee om dit in de toekomst nog te laten plaatsvinden, om een beter
zicht te kunnen krijgen op de eventuele lokalisatie van MB's problematiek.
Wat betreft de lokalisatie van de stoornissen van BN, komt het gevonden
beeld van een rechtsparietotemporale laesie en een anomie voor emotionele
gezichtsexpressies sterk overeen met de eerder gevonden relatie tussen
rechterhemisfeerlaesies en stoornissen in de herkenning van emotionele
gezichtsexpressies zoals bijvoorbeeld in onderzoek van Rapcsak et al. (1989,
1993) en onderzoek van Young et al. (1993).
De vraag rijst, gezien de bevindingen, of de voorstelling zoals in
het model van Bowers en Heilman (1984) wel helemaal juist is. In het model
wordt gesuggereerd dat er een lexicon bestaat met prototypes voor gezichtsexpressies.
Uit de gegevens van MB is echter de stelling te verdedigen dat er meerdere
lexicons zijn, een lexicon per gezichtsexpressie. In de literatuur is er
een lang debat gaande omtrent deze kwestie, waarin wordt gediscussieerd
over de vraag of gezichtsexpressies weer te geven zijn als variërend
langs dimensies of dat ze aparte categorieën vormen (Calder, Young
et al., 1996). Calder & Young stellen voor dat de dimensionale benadering
niet houdbaar is, met casestudies vinden ze resultaten die niet met behulp
van de dimensionale modellen te verklaren zijn. Ook de onderzoeksresultaten
van MB wijzen in deze richting. Zij heeft namelijk specifiek problemen
met de emotionele expressie angst. Dit kan vanuit een dimensionaal model
niet verklaard worden, omdat er in zo’n model geen sprake kan zijn van
een specifieke stoornis in een enkele gezichtsexpressie zonder dat er stoornissen
optreden in andere emotionele gezichtsexpressies. Bij MB is dit echter
wel het geval, zij heeft alleen maar problemen met de emotionele expressie
angst. Vanuit een categorieel model is MB's stoornis beter te verklaren.
In dit geval zou specifiek de categorie angst gestoord zijn, waardoor MB
moeilijkheden heeft met de emotionele expressie angst. Het zou mogelijk
kunnen zijn dat angst een speciaal geval is, en de andere emotionele gezichtsexpressies
nog steeds ingedeeld zouden kunnen worden in een dimensionaal model. Calder
en Young (1997) spreken dit tegen en bevestigen nog eens dat er van dimensies
eigenlijk geen sprake kan zijn bij gezichtsexpressies, in hun onderzoek
spreken alle resultaten het bestaan van zulke dimensies tegen. Zij hebben
alle mogelijke combinaties van emotionele gezichtsexpressies getest en
uit geen enkele combinatie komt evidentie naar voren voor een tweedimensionaal
model. De dimensies, zoals we die bij bijvoorbeeld kleuren kunnen
onderscheiden, zijn niet van toepassing op het gebied van gezichtsexpressies.
Gezichtsexpressies kunnen het best gezien worden als categorieën,
liggend in een multidimensionale perceptuele ruimte. Emotionele gezichtsexpressies
die tussen de diverse prototypes in liggen, worden perceptueel ingedeeld
bij dat prototype waar ze het dichtst bij liggen, aan de hand van de individuele
kenmerken van dat prototype. In het besproken onderzoek van Calder en Young
(1997) wordt gebruik gemaakt van zogenaamde gemorfde (door de computer
vervormde) foto's, die in het continuüm liggen tussen twee emotionele
gezichtsexpressies. De reactietijden op de foto's die dichter bij een prototype
liggen, zijn veel lager dan die op de foto's die midden tussen twee prototypes
in liggen. Het is dus makkelijker om een foto in te delen bij een prototype
als deze er veel overeenkomsten mee vertoont. In feite is dit niets nieuws,
dit geldt voor de meeste andere vormen van perceptuele categorisatie.
MB lijkt gestoord te zijn in de categorie angst, waardoor ze de foto's
van de emotionele expressie angst niet bij het juiste prototype kan plaatsen.
In het model van Bowers en Heilman (1984) zou dan ook, in het licht van
deze vindingen, het lexicon met prototypes van emotionele gezichtsexpressies,
onderverdeeld kunnen worden in meerdere lexicons, elk een expressie vertegenwoordigend,
die elk beschadigd kunnen worden. Het lijkt erop dat sommige prototypes
echter kwetsbaarder zijn dan andere, daar in de meeste gevallen ‘angst’
de moeilijkste blijkt te zijn en ‘blij’ de minst moeilijke emotionele gezichtsexpressie,
ook bij 'normalen' (Ekman & Friesen, 1976; Mazurski & Bond, 1993).
Deze verschillen zijn crosscultureel (Biehl et al., 1997). BN’s scores
op de diverse expressies, namelijk relatief veel fouten bij angst en weinig
bij blij, kunnen zo verklaard worden.
Na bestudering van deze twee uitgebreide casestudies, blijkt dat er
veel verschillen bestaan tussen MB en BN. Zo werd gevonden dat BN specifiek
moeilijkheden op het gebied van gezichten ondervindt wanneer het gezichtsexpressies
van emoties betreft. De moeilijkheden doen zich bij hem voor zonder onderscheid
per expressie. Bij MB daarentegen werd een categoriespecifiek defect gevonden.
Zij presteert bijna foutloos bij elke emotionele gezichtsexpressie, behalve
wanneer het de emotie ‘angst’ betreft. In het hier beschreven onderzoek
werd ten gevolge van de verschillende bevindingen een mogelijke aanpassing
voorgesteld aan het gehanteerde model van Bowers en Heilman. Op deze wijze
kunnen op het complexe terrein van de herkenning van emotionele gezichtsexpressies
betere modellen ontwikkeld worden, die zo leiden tot een beter begrip van
deze belangrijke sociale vaardigheid.
Adolphs, R., Tranel, D., Damasio, H., & Damasio, A. (1994) Impaired recognition of emotion in facial expressions following bilateral damage to the human amygdala. Nature, 372, 669-672.
Adolphs, R., Tranel, D., Damasio, H., & Damasio, A.R. (1995) Fear and the human amygdala. Journal of Neuroscience, 15, 5879-5891.
Aggleton, J.P. (1992) The Amygdala: Neurobiological Aspects of Emotion, Memory, and Mental Disfunction. New York: Wiley-Liss.
Baron-Cohen, S., (1995) Mindblindness. An Essay on Autism and Theory of Mind. Cambridge, Massachusetts: The MIT Press.
Benton, A.L., Hamsher, K de S., Varney, N.R. & Spreen, O. (1983) Contributions to Neuropsychological Asessmant, A Clinical Manual. New York: Oxford University Press.
Biehl, M., Matsumoto, D., Ekman, P., Hearn, V., Heider, K., Kudoh, T. & Ton, V. (1997) Matsumoto and Ekman’s Japanese and Caucasian facial expressions of emotion (JACFEE): reliability data and cross-national differences. Journal of Nonverbal Behavior , 21(1), 3-21.
Bowers, D. & Heilman, K. M. (1984) Dissociation between the processing of affective and nonaffective faces: a case study. Journal of Clinical Neuropsychology, 6, 367-379.
Bowers, D., Blonder, L.X., Feinberg, T., & Heilman, K.M. (1991) Differential impact of right and left hemisphere lesions on facial emotion and object imagery. Brain, 114, 2593-2609.
Bruce, V., & Young, A. (1986) Understanding face recognition. Britisch Journal of Psychology, 77, 305-327.
Calder, A.J., Young, A.W., Rowland, D, Perrett, D.I., Hodges, J.R., & Etcoff, N.L. (1996) Facial emotion recognition after bilateral amygdala damage: differentially severe impairment of fear. Cognitive Neuropsychology, 13, 699-745.
Ekman, P. (1972) Universals and cultural differences in facial expressions of emotion. In J.K. Cole (Ed.), Nebraska Symposium on Motivation, 1971 (pp. 207-283). Lincoln, NB: University Of Nebraska Press.
Ekman, P. & Friesen, W.V. (1971) Constants across cultures in the face and emotion. J.Pers. Soc. Psychol. 17, 124-129.
Ekman, P. Friesen, W.V., & Ellsworth, P. (1972) Emotions in the Human Face: Guidelines for Research and an Integration of Findings. New York: Pergamon Press.
Ekman, P., & Friesen, W.V. (1976) Pictures of Facial Affect. Palo Alto, CA: Consulting Psychologists Press.
Etcoff, N.L. (1986) The neuropsychology of emotional expression. In G. Goldstein & R.E. Tarter (Eds.), Advances in Clinical Neuropsychology, 3 (pp.127-179). New York, N.Y.: Plenum Press.
Farah, M., Hammond, K.H., Mehta, Z., & Ratcliff, G. (1989) Category-specificity and modality-specificity in semantic memory. Neuropsychologia, 27, 193-200.
Hensen, M (1997) Crossmodal influence in the perception of face and voice expressions with a right-hemispheric brain damaged patient: a case study. Afstudeerscriptie, Katholieke Universiteit Brabant.
Kaplan, E., Goodglass, H., & Weintraub, S. (1983) The Boston Naming Test. Philadelphia: Lea & Febiger.
Kimura, D. (1963) Right temporal-lobe damage: Perception of unfamiliar stimuli after damage. Archives of Neurology 8, 264-271.
Kolb, B. & Whishaw, I.Q. (1990) Fundamentals of Human Neuropsychology, 3rd Edition. New York: W.H. Freeman and Company.
Loring D.W., Marin R.C., Meador K.S. (1990) Psychometric construction
of the
Rey-Osterreith complex figure. Archives of Clinical Neuropsychology,
5, 1-14.
Mandall, M.K., Tandon, S.C., & Asthana, H.S. (1991) Right brain damage impairs recognition of negative emotions. Cortex, 27, 247-253.
Mazurski, E.J. & Bond, W.B. (1993) A new series of slides depicting facial expressions of affect: a comparison with the pictures of facial affect series. Australian Journal of Psychology, 45(1), 41-47.
Mehta, Z., Newcombe, F., & Haan, E. de (1992) Selective loss of imagery in a case of visual agnosia. Neuropsychologia, 30, 645-655.
Milner, B. (1972) Disorders of learning and memory after temporal lobe lesions in man. Clinical Neurosurgery, 19, 421-446.
Rapscak, S. Z., Kaszniak, A.W. & Rubens, A.B. (1989) Anomia for facial expressions: evidence for a category specific visual-verbal disconnection syndrome. Neuropsychologia, 27, 1031-1041.
Rapcsak, S.Z., Comer, J.F., & Rubens, A.B. (1993) Anomia for facial expressions: Neuropsychological mechanisms and anatomical correlates. Brain and Language, 45, 233-252.
Stone, V.E., Ninenson, L., Eliassen, J.C., & Gazzaniga, M.S. (1996) Left Hemisphere representations of emotional facial expressions. Neuropsychologia, 34-1, 23-29.
Warrington, E.K. & James, M. (1967) An experimental investigation of facial recognition in patients with unilateral cerebral lesions. Cortex, 3, 317-326.
Warrington , E.K. (1984) Recognition Memory Test. Nfer-Nelson Publishing Company, Windsor.
Young, A.W., Newcombe, F., Haan, E. H. F. de, Small, M., & Hay, D.C. (1993) Face perception after brain injury: selective impairments affecting identity and expression. Brain, 116, 941-959.
Young, A.W., Aggleton, J.P., Hellawell, D.J., Johnson, M., Broks, P., & Hanley, J.R. (1995) Face processing impairments after amygdalotomy. Brain, 118, 15-24.
Young, A.W., Hellawell, D.J., Wal, C. van de, & Johnson, M. (1996)
Facial expression processing after amgdalotomy. Neuropsychologia, 34, 31-39.
BIJLAGE
Tabel. In rij 1: aantal trials in test; gebruikte stimulus; taak; aantal en soort keuzemogelijkheden per foto
Herkenning van gezichtsexpressies, gegevens van BN, uitgesplitst naar
emotionele expressie.
|
|
Angst |
verdriet |
afschuw |
blij |
verbaasd |
boos |
score |
|
60 foto benoemen, 6 verbale labels |
3 angst 1 afschuw 1 verdriet 4 boos 1 verbaasd |
2 verdriet 2 boos 2 angstig 3 verbaasd 1 blij |
8 afschuw 1 verdriet 1 verbaasd |
10 blij |
8 verbaasd 2 angst |
6 boos 3 verdriet 1 verbaasd |
37/60 |
|
60 foto sorteren, 6 verbale labels |
5 angst 2 blij 3 verbaasd |
5 verdriet 4 boos 1 blij |
9 afschuw 1 boos |
9 blij 1 boos |
2 verbaasd 6 angst 2 blij |
4 boos 2 afschuw 2 verbaasd 1 blij 1 angst |
34/60 |
|
24 foto benoemen, 6 verbale situaties |
3 angst 1 boos |
2 verdriet 2 boos |
2 afschuw 1 boos 1 verbaasd |
4 blij |
1 verbaasd 2 blij 1 angst |
1 verrast 2 afschuw 1 verdriet |
13/24 |
|
24 foto benoemen, 6 verbale labels #1 |
2 angst 2 verbaasd |
2 verdriet 2 boos |
4 afschuw |
3 blij 1 verbaasd |
3 verbaasd 1 blij |
3 boos 1 angst |
17/24 |
|
24 foto benoemen, 6 verbale labels #2 |
0 angst 2 boos 1 afschuw 1 verdriet |
3 verdriet 1 angst |
2 afschuw 2 droevig |
4 blij |
2 verbaasd 1 droevig 1 boos |
2 boos 1 droevig 1 verbaasd |
13/24 |
|
18 foto benoemen, 4 verbale labels |
3 angst |
1 verdriet 2 afschuw |
2 afschuw 1 boos |
3 blij |
2 verbaasd 1 droevig |
1 boos 1 droevig 1 angst |
12/18 |
|
18 verbaal label matchen, 4 foto’s |
3 angst |
1 verdriet 1 angst 1 afschuw |
2 afschuw 1 droevig |
3 blij |
3 verbaasd |
2 boos 1 droevig |
14/18 |
|
18 foto matchen, 4 foto’s #1 |
2 angst 1 boos |
3 verdriet |
2 afschuw 1 blij |
3 blij |
3 verbaasd |
3 boos |
16/18 |
|
18 foto matchen, 4 foto’s #2 |
1 angst 1 blij 1 afschuw |
3 verdriet |
3 afschuw |
3 blij |
2 verbaasd 1 afschuw |
3 boos |
15/18 |
|
Situaties verbaaltest |
4 angst |
3 verdriet 1 boos |
4 afschuw |
3 blij 1 verrast |
4 verbaasd |
4 boos |
22/24 |
|
Situaties visueeltest |
0 angst 2 afschuw 2 boos |
1 verdriet 2 afschuw 1 boos |
1 afschuw 1 angst 2 boos |
4 blij |
2 verbaasd 1 blij 1 verdriet |
2 boos 2 angst |
12/24 |
© 1998 - 2dehands.nl